Latijnse plantennamen, wat kun je er nog meer van leren.

Latijnse plantennamen uitgelegd

Vorige week had ik het over Latijnse plantennamen en hoe handig die kunnen zijn. Ook in het buitenland. En dat je namen zoals haagbeuk en beukenhaag nooit meer verwart als je de Latijnse namen kent.

Opera

Maar Latijn is ook gewoon een taal, net als iedere andere. En in talen hebben woorden een betekenis. En als je die betekenis weet, gaat het geheimzinnige er af. Ook bij zaken zoals opera, trouwens. In een boek van de Engelse schrijver Terry Pratchett, Masquerade (een parodie op The Phantom of the Opera), krijgt de hoofdpersoon operazangles en vraagt ze wat de betekenis is van wat ze zingt.

“Wat zong ik net eigenlijk?”
“Weet je dat óók niet?”
“Ik weet niet wat het betekent, nee.”
André keek naar het libretto in zijn hand. “Nou, ik ken de taal niet erg goed, maar ik vermoed dat het openingsstuk zo gezongen zou kunnen worden:
Deze stomme deur klemt
Deze stomme deur klemt
Hij klemt, wat ik verdomme ook doe.
Er staat ‘trekken’ en ik bèn aan het trekken.
Misschien moet er ‘duwen’ staan?”
Agnes knipperde met haar ogen. “Is dat alles?”
“Ja.”
“Maar ik dacht dat het erg rusteloos en romantisch zou zijn!” (Mijn vertaling)

Nee dus. En hetzelfde geldt voor de Latijnse plantennamen. Die betekenen vaak doodnormale dingen. Neem nou kleuren.

Kleuren en zo.

Als de plant iets opvallend roods heeft, heet hij vaak rubra (betekent rood). Rode bloemen, rode bladeren, rode bessen of rode twijgen, het kan van alles zijn. Sanguineum betekent bloedachtig en slaat op bloedrood. Flavus betekent geel. Caerulea betekent blauw. Alba betekent wit, candida ook. Cinerea betekent grijs en argentatum betekent zilver. Aureus betekent goud. Pallida betekent geelgroen. Purpureus betekent paars en brunus is bruin. Niger is zwart en ater ook. Atropurpurea betekent dus gewoon zwartpaars oftewel donkerpaars. En Latijn kent vervoegingen, dus rubra bijvoorbeeld kan ook rubrus, rubrum, rubri of rubrorum zijn.

Sylvatica: betekent zoiets als uit het bos. Onze beuk, Fagus sylvatica, heet in het Latijn niet anders dan ‘bosbeuk’.

De Bosbeuk en de Amerikaanse bosbeuk.

Nou zitten er bij die Latijnse namen enkele addertjes onder het gras. De eerste is: Bij bij het namen geven geldt, wie het eerst komt, het eerst maalt. De oudste naam telt, tenzij die fout blijkt te zijn. Dus, doe maar eens gek, iemand had zijn bril niet op en schold een beuk uit voor een linde. Die stuurt dat op naar de Plantennamen Authoriteit (Kew Gardens in Engeland). En krijgt dat per kerende post terug met de mededeling dat deze naam niet goedgekeurd kan worden, omdat de geslachtsnaam niet klopt.
De tweede addertje is, dat een Latijnse naam alleen maar voor 1 soort gebruikt kan worden en niet voor een andere. Dat is natuurlijk logisch. Maar neem nou eens die ‘bosbeuk’, de Fagus sylvatica. Die naam werd in Europa gegeven. We hadden maar 1 soort beuk en die stond in het bos. Kat in het bakkie.

Maar toen werd Amerika ontdekt en daar stond ook een beuk. Ook in het bos! En nu? Fagus sylvatica was al bezet. Nou blijken de bloemen van de Amerikaanse beuk wat groter te zijn dan die van de Europese beuk. Daarom heet die nu Fagus grandiflora (met grote bloemen). Grote bloemen voor een beuk dan, hè. Als je in het bos loopt dan zie je het verschil niet, want ze zijn allebei knap klein. Dus je kunt bij plantennamen ook op het verkeerde been worden gezet door wanhopige naamgevers die uit arren moede maar een naam gaven. Zoals bij de Magnolia. Er is een Magnolia grandiflora. Maar dat is niet die met die prachtige roze bloemen die je veel in parken tegenkomt. Dat is de Magnolia soulangeana, want grandiflora was al bezet. Magnolia grandiflora heeft trouwens ook heel grote bloemen, maar wit.

Naamgeving voor de eer.

De derde adder is de naamgeving voor de eer. Dat kom je tegen bij bijvoorbeeld de Clematis armandii. Dat betekent weer de Bosrank (Clematis) genoemd naar mijnheer Armand. Armand kan de plaatselijke geldschieter van de expeditie zijn geweest. Of de ontdekker, die iedereen wilde laten weten dat HIJ de plant had ontdekt. Of de koning, die geëerd werd met misschien de stiekeme hoop op een adellijke titel of een plek aan een universiteit. Als een naam op ii eindigt, dan heb je er zo een.

Soorten, varianten, cultivars en kruisingen.

Het systeem van de namen is gebaseerd op soorten. En waarin verschillen soorten van elkaar? In de voortplanting. Dus, als twee verschillende planten met elkaar jongen konden krijgen, dan hoorden ze tot dezelfde soort. Maar ja, wat doe je dan met paarden en ezels? Dat zijn toch duidelijk twee verschillende soorten. Maar ze krijgen wel samen een muilezel of een muilpaard. Probleempje! Nou, weet je wat, dan noemen we alles dezelfde soort waarvan de jongen ook vruchtbaar zijn, want de muilezel en muilpaard zijn dat niet. Probleem opgelost.

Maar nu hadden ze een héle grote categorie soort. Met binnen die soort nogal wat verschillen. En dan hebben we het nog niet over de Groene Vinger brigade, die naar hartenlust kruist en nieuwe kleuren rozen en andere planten kweekt. Allemaal dezelfde soort. Wat doe je daar dan mee? Onderverdelen in varianten, cultivars en kruisingen.

Variaties van de soort die in de natuur voorkomen, maar wel dezelfde soort zijn, noem je ‘variant, afgekort var. Bijvoorbeeld Fagus sylvatica var purpurea, de bruine beuk. Die komt van nature voor. Varianten schrijf je met kleine letters.

Zijn dat nu variaties die gekweekt zijn door de Groene Vinger brigade, dan heten ze Cultivar. Van Cultuur, dus kunstmatig. Te herkennen aan een hoofdletter aan het begin en aanhalingstekens. Zoals de clematis patens ‘Nelly Moser’. Clematis patens is de soort, ‘Nelly Moser’ is de cultivar. Nu hebben de naamgevers tegenwoordig de neiging om de soortnaam weg te laten “want dan wordt het zo lang”. Dus Clematis patens ‘Nelly Moser’ wordt Clematis ‘Nelly Moser’. Want die soortnaam is toch niet belangrijk.

Behalve als je wil gaan snoeien. Want je hebt ook Clematis ‘The President’ En dat is ook een Clematis patens. Die moet je op dezelfde wijze snoeien als de Clematis ‘Nelly Moser’, want het zijn allebei Clematis patens soorten. Dat weet een hovenier wel. Maar een gemiddelde tuinbezitter weet dat toch niet! Die heeft toch geen Tuinbouwschool gehad met een bombardement aan Latijnse plantennamen? Die zoekt zich mottig.

Nou nog één categorie en dan hou ik op. Net zoals bij dat paard en die ezel, hebben sommige plantensoorten ook de neiging om samen te kruisen. Alleen, die brachten wel vruchtbare nakomelingen voort. Eigenlijk zouden dat volgens de regels geen twee aparte soorten moeten zijn, maar ja…lastig, lastig….Al die namen aanpassen….en welke moest het dan worden…en het zijn er maar een paar….er begon ruzie te komen in geleerdenland. Dus werd dat maar door de vingers gezien. Het product van deze kruisingen wordt aangeduid met een x. Het bekendste voorbeeld is onze Hollandse linde, Tilia x europaea. Dat is een kruising van de Kleinbladige linde, Tilia cordata en de Grootbladige linde, Tillia pallida (juis ja, de geelgroene).

Niet uit je hoofd leren!

Het systeem is nu in beweging. Want afstamming is genetica en nu hebben ze DNA analyse. En nu blijken sommige soorten eigenlijk uit twee soorten te bestaan en ‘niet verwante’ soorten opeens wel verwant te zijn. Dus moeten de namen aangepast. Er komen binnen enkele jaren dus wat naamsveranderingen aan! Net als bij de Azalea, die nu Rhododendron heet.

Wil je weten hoe je de verschillende soorten in je tuin moet snoeien? Volg dan ons gratis webinar snoeien, waarin je de belangrijkste principes van snoeien leert. >>geef je hier op>>

Share on facebook
Facebook
Share on pinterest
Pinterest

1 Reactie op “Latijnse plantennamen, wat kun je er nog meer van leren.

  1. Wat interessant Els om te lezen hoe die naamgeving is ontstaan! Ik merk dat ik het steeds leuker vind om van alles over de tuin en planten te leren 😊

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.