We zijn met de buurt een nieuw avontuur begonnen. Allemaal vanwege de ontstening en vergroening.
Terwijl Amsterdam de ene na de andere hoogbouwtoren-met-luxe-appartementen de grond uit laat rijzen, probeert Amsterdam Nieuw West de verstening van Amsterdam een beetje te verminderen. Maar hoe doe je dat zonder al te veel geld? Je vraagt de buurt om je een handje te helpen.
Wij wonen in een wijk die ruim 25 jaar geleden is opgeleverd. Toen hij werd opgeleverd zag ik op de tekening voor onze deur geen stoep ingepland. O, o, dacht ik nog, als dat maar goed gaat. Opgegroeid als ik ben in de Jordaan in de jaren 60, had ik al visioenen voor me van auto’s die vlak voor het raam geparkeerd stonden.
Maar niets van dat alles. Dit was de moderne tijd en voor de deur van onze 6 huizen kwam een autovrij pleintje. Met stenen van deur tot deur en erachter een plantsoentje met een vrij grote speelplek met gras. Helemaal geweldig.
Ja, we hadden af en toe last van jongens die ballen tegen een muur schoppen veel minder werk vonden dan op het grasveld verderop achter die bal aanrennen, maar verder was het een leuk pleintje waar mensen af en toe met stoelen en tafels buiten zaten.
Op een gegeven moment kwamen er twee picknicktafels midden op het plein, zodat we makkelijker bij elkaar konden zitten. En een paar plantenbakken, want het plein was wel een beetje kaal en dat was toch jammer. Dus toen de gemeente voorstelde om te helpen met geveltuintjes deed bijna iedereen mee. Dat maakte het plein een hoop gezelliger.
Tot de dag dat onze buurvrouw, die landschapsarchitecte is, met een wild plan kwam. Als we het pleintje zouden vergroenen, zouden we, als we het een beetje slim aanpakten, misschien wel de helft van het regenwater van het dak via de tuintjes laten lopen, zodat het riool minder belast werd. Helemaal als we het water ook nog zouden opvangen in regentonnen voor droge perioden.
En, nog mooier, de Amsterdam Nieuw West had daar een potje voor. Zij zou een plan maken, wij konden daar commentaar op geven en dan kon het naar de gemeente. Die zou de aanleg van de tuintjes bekostigen en de plantjes planten. De plantjes kwamen bovendien van een biologische kwekerij in de buurt.
Hoe noemen ze dat ook alweer? Win-win-win-win-w…
Dat zagen we helemaal zitten. Kleine adder onder het gras: Wij zouden die tuintjes zelf moeten bijhouden. En de tuintjes waren niet van ons, maar bleven eigendom van de gemeente. Maar dat hadden we er wel voor over.
In december zijn ze aangelegd. Dat ging wel op de geveltuinenmanier: tegels lichten, een deel van de tegels afzagen als rand, dun laagje compost erover en dan de plantjes er in. En dan maar afwachten of die dooie sprieten die ze in december neerzetten wel zouden gaan groeien. Nou, dat dezen ze.
De hoveniers die in waren gehuurd verstonden hun vak. Er is, voor zover we kunnen zien, geen plant doodgegaan. Nu, eind maart, zit de groei er al behoorlijk in en de Kleine Maagdenpalm is al aan het bloeien. We krijgen veel complimenten van buurtbewoners, die zeggen dat het zo leuk is geworden.
Een paar buren hebben zich al laten meeslepen en hebben al wat bolletjes in ‘hun’ tuintje geplant. Niet veel: 3 Sneeuwklokjes, 5 kleine blauwe Irisjes en 3 Kivietsbloemen. Maar o, wat een verschil maakt dat!
Want, eerlijk is eerlijk, er is technisch goed werk geleverd, maar de planten zijn wel een beetje traditioneel in groepen aangeplant. Dat moet spannender kunnen en ik begin al wat ideeën te krijgen. Dat komt vast wel goed. Maar ik ga eerst zien hoe alles gaat groeien en bloeien. En daar lekker van genieten.
Ik zou het leuk vinden als dit blog je heeft geïnspireerd. Zou je dat met mij willen delen?
Geniet je van mijn tuinverhalen en wil je ze iedere week gratis in je mailbox ontvangen?
Druk dan op de knop hieronder, zo simpel is het.
N.B. De teksten op deze site, inclusief dit blog, zijn door mijzelf of José geschreven en mogen niet gebruikt worden zonder voorafgaande toestemming, ook niet om AI te trainen.
Omdat ik ze tegenwoordig weer op Facebook deel, kun jij dat ook gerust doen.








